Wat vooraf ging

De decennia voorafgaande aan de mobilisatie van 1939 zijn tekenend geweest voor de toestand van de Krijgsmacht. Nederland heeft gedurende de Eerste Wereldoorlog voor het eerst sinds 1870 lange tijd haar leger op staande voet gehad en hier les uit getrokken. Geconstateerd werd dat het veel te kostbaar was een groot staand leger op de been te houden. Bovendien speelde in de crisisjaren de economische malaise ook een belangrijke rol in het bestedingspatroon van de Nederlandse regering.

Met de nieuwe wet in 1922 wordt vormgegeven aan een nieuwe krijgsmacht die vooral "klein" en "kwalitatief hoog" zou moeten zijn. Voor de Landmacht houdt dat in dat het regimentsverband wordt losgelaten, er geen parate eenheden bestaan en dat de effectieve diensttijd voor diensplichten verkort wordt tot 5,5 maand (voor niet-beredenen).
Hoewel de politiek later terugkomt op deze gedachte blijft het voor de KL een mager bestaan. Pas als de wolken in het oosten donkerder worden grijpt de politiek in. Noodzakelijke bestellingen voor modern wapentuig worden geplaatst maar de ordermappen van de buitenlandse wapenindustrie zitten al vol.
 
In 1938 worden naar aanleiding van de spanningen rond Tsjecho-Slowakije de 2e bataljons van de regimenten op oorlogssterkte gebracht ("paraat gesteld") en zullen in het kader van de uitwendige veiligheid als grensbataljons opereren. De opkomstleeftijd voor dienstplichtigen wordt verlaagd van twintig naar achttien jaar.
 
In april 1939 vindt de tweede Buitengewone Oproep Uitwendige Veiligheid (B.O.U.V.) plaats. Langzaam begint Nederland in te zien dat het menens is. Als dan eind augustus van hetzelfde jaar de algemene mobilisatie wordt afgeroepen als Duitsland Polen dreigt binnen te vallen, is het duidelijk: Nederland wordt Paraat!
 
In hoog tempo stromen de reservisten en dienstplichtigen naar de opkomstcentra. Alle lichtingen vanaf 1924 t/m 1938 worden opgeroepen, gekleed, bewapend en naar de oorlogsstellingen gedirigeerd. Bovendien wordt de lichting 1940 vervroegd opgeroepen. Vervolgens is men negen maanden bezig met de oorlogsvoorbereiding die voornamelijk bestaat uit het inrichten van stellingen. Oefening van de troep en leidinggevenden blijft helaas achter. Als de Duitsers op 10 mei 1940 binnenvallen treft zij een leger in oorlogsstaat aan dat in veel opzichten voorbereid is op een type conflict zoals de Eerste Wereldoorlog.

Het leger verweert zich met grote moed en wisselend succes. De Duitse luchtlandingsoperatie in het Westen mislukt vrijwel totaal door de felle tegenstand. De opmars richting Grebbeberg en Grebbelinie (het noordelijk deel van de Peel-Raamstelling) gaat door de Nederlandse weerstand beschamend langzaam. De stelling Kornwerderzand, één der modernste van Europa op statisch verdedigingsgebied, wordt niet ingenomen. Bijna vierhonderd Duitse vliegtuigen worden door het luchtdoelgeschut en het verhoudingsgewijs kleine aantal Nederlandse vliegtuigen neergehaald. De oorlog eindigt voor Nederland na de bombardementen op Rotterdam. Alleen in Zeeland wordt nog drie dagen langer gevochten, aangezien daar de Nederlandse en de te hulp geschoten Franse troepen samen de Duitsers nog proberen tegen te houden.